Super(wo)ma(a)n

Ik moet al een tijd aan een vrouw denken. Een tijd, dat is sinds Trump en ‘President Elect’ op onverklaarbare wijze in dezelfde zin zijn gaan staan. Onverklaarbaar, dat is het althans voor (maar) een deel van de wereldbevolking.

Die vrouw is al lang niet meer in het land. Ze was deze zomer in Amman. Of, in de kalenderzomer, want climate change is ook in Jordanië een feit, President Trump!

De dochter van die vrouw zat in het zomerklasje bij onze dochter. Ze deelden minstens hun leeftijd en geboorteplaats: Washington DC. Dit kind zou presidentskandidaat van de VS kunnen worden, besefte ik toen ze recht voor de raap vroeg of ik soms de oma van mijn dochter was.

De moeder van die dochter stapt nu dus af en toe mijn hoofd binnen. Niet dat ik op haar een gezicht kan plakken, haar nikab heeft me die herinnering al bij voorbaat ontnomen. Maar ik zie nog de blingbling van haar uurwerk en ander fraais onder de tule van haar abaya.

‘Op wie zou jij stemmen?’, vroeg ze me recht voor dezelfde raap toen ik haar vertelde dat we ook in DC hadden gewoond. En dat ze zich als moslima toch niet zo thuis voelde in het Virginia dat aan DC grenst, voegde ze er in dezelfde ademteug aan toe.

‘Op Trump zou ik niet stemmen,’ zei ik prompt. Dat klonk overbodig, vond ik. Want eigenlijk, eerlijk, ik kon me niet voorstellen dat er iemand bestond die dat wel zou doen. Toen niet, nee. En toch al helemaal geen conservatieve moslima die zich niet lekker voelde in Virginia?

Er ritselde iets onder haar abaya. Was dat een frons? Ze leek te aarzelen. Het bracht me op dreef.

‘Je stemt toch op een vrouw?’, probeerde ik het niet uit te roepen. Onder hoofddoeken huizen soms heel feministische gedachten, dat weet ik ondertussen wel. En toch klonk het plots niet zo overbodig meer. Het gesprek is daarna vlug uitgedoofd. Ik heb haar niet meer gezien. De volgende ochtend vroeg is ze met haar kroost naar hun Amerikaanse huis teruggevlogen.

Een paar maand later, tijdens de kalenderherfst. Ik zit in een zaal vol Jordaniërs op de ochtend dat mijn telefoon bloedrood kleurt. De kaart van Amerika, staat na staat. Rondom mij gaat men verder met koffiedrinken, balpenknippen, pagina’s omslaan. Behalve de twee non-Brexit-Britten in de zaal, lijkt niemand zo gechoqueerd als ik.

Tijdens de koffiepauze zie ik mijn kans. De eerste Jordaniër aan wie ik het vraag, haalt zijn schouders op: ‘Ah, er is een plan. Dat ligt vast. Wie ook president wordt, zal daar niets aan veranderen.’ Een complot dus, de Arabieren lurken er aan als van hun waterpijpen.

De tweede aan wie ik het vraag is mijn meest minzame Jordaanse collega. Overal in het land schud ik de hand van zijn vrienden. Hij is de belichaming van vrede en als ik het even benauwd zou krijgen over de turbulenties in de regio, denk ik aan hem en al zijn zachtaardigheid en kom ik instant tot bedaren. Hij monkelt in zijn baardje: ‘Weet je, wij proberen er om te lachen.’ Hij grijpt naar zijn telefoon. ‘Heb jij ook die foto op Facebook gezien met ‘Nobody told us that orange was the new black?’ En die advertentie van Royal Jordanian?’

Nog een derde aan wie ik het vraag, zegt er eigenlijk niet zo erg mee bezig te zijn. Dat is waarschijnlijk niet eens omdat ze net haar eerste zoon op de wereld heeft gezet, tot immense vreugde van haar hele clan. Van een dictator meer of minder kijkt men in deze regio niet op.

Hoe zou het nu met die moeder van die dochter zijn, vraag ik me nog af. Is haar nikab een centimeter korter geworden door een permanente frons? Of zou zij een rode pixel in dat blauwe Virginia zijn geweest en vindt ze al dat nieuwe oranje best wel een verandering ten goede? Van haar gezicht kon ik niets aflezen, laat staan dat ik in haar hoofd kon kijken.

Het is misschien zoals met de supermaan van ergens in diezelfde herfst van dat vermaledijde jaar 2016. Al leek het wel zo, en dachten we dat, de maan was helemaal niet groter dan normaal. Het hing er maar van af op welke plaats je naar haar keek.

Af en toe eens van plaats wisselen, het brengt de dingen in een ander perspectief.

Royal Jordanian een dag voor de Amerikaanse verkiezingen

Royal Jordanian na de Executive Order

Posted in in Jordanie | Leave a comment

De overkant

‘En, hoe is het daar, aan de overkant, achter de grens?’

Op een maand tijd werd de vraag me tweemaal gesteld. Dezelfde vraag, dezelfde interesse, over twee verschillende landsgrenzen.

De eerste keer. Avondbries, kindjes in bed, glaasje rosé in de hand. We zijn op reis, in Haifa (Israël). Met de attente eigenaars van de AirBnB waar we met ons gat in de boter zijn gevallen delen we hun terras en hun tuinstoelen, wijn en fijne gesprekken. We luisteren naar het verhaal achter het nummer dat hij, samen met prikkeldraad, aan de binnenkant van zijn arm heeft laten tatoeëren. Een verhaal dat we al kenden, dat eindeloos opnieuw verteld moet worden. Door hem en vele nabestaanden. Hun enthousiasme over de nakende onafhankelijkheidsviering van Israël respecteren we, maar delen we niet volledig. Misschien begrijpen zij ook niet helemaal hoe een familie als de onze in een Arabisch land kan leven. Maar tenminste stellen ze de vraag, niet in zoveel woorden, maar toch: ‘En, hoe is het daar, aan de andere kant van de Jordaanvallei?’

De overkant (van de Jordaanvallei)

De overkant (van de Jordaanvallei)

Want, ook al kun je op klare dagen de overkant van hieraf bijna letterlijk zien, ze hebben waarlijk geen idee.

De tweede keer. We zijn nog eens op reis, wat hebben we toch geluk. In Zuid (Grieks) Cyprus. Het is heet, ik heb koorts en heb me in tijden zo ziek niet gevoeld. De Britse vrouw achter de balie van de privé-kliniek probeert me moed in te spreken.

‘En hoe was je vakantie tot nu?’

Ik vertel dat we net een week in Noord (Turks) Cyprus achter de rug hebben en nu een week in het Zuiden zijn.

‘Noord Cyprus,’ zegt ze bedenkelijk, ‘daar ben ik nooit geweest, in al die zeven jaar dat ik hier woon.’

Gelukkig ben ik ziek en kan ik me niet veroorloven daarvan achterover te vallen. Een Britse, toen nog EU-burger, die er op een boogscheut vandaan woont en zonder moeite over de grens kan wandelen! Maar er schemert schaamte door haar zin, en ze gaat er binnenkort naartoe.

‘En, hoe is het daar?’, vraagt ze, ‘Kun je daar met euro’s betalen?’

Ze zullen haar graag zien komen!

Over het antwoord op de vraag moest ik twee keer even nadenken. Want, wat vertel je over het land achter de grens dat voor jou heel normaal is?

‘Euhm, gewoon,’ wou ik eerst zeggen. Dan bedacht ik dat men op deze informatie niet zat te wachten.

Ik wou hen iets vertellen dat erboven uitstak, iets wat interessant of zelfs uitzonderlijk kon zijn voor de vragensteller om over de overkant te horen. Maar, ik kwam er niet zo dadelijk op.

‘Eigenlijk,’ wou ik zeggen, ‘eigenlijk zijn het mensen, daar aan de overkant. Je kent die soort wel: ze drinken, eten, hebben lief, zijn bezorgd, denken – soms – na en komen voor zichzelf op. Wezenlijk worden ze door dezelfde dingen in vervoering gebracht als jij en ik.’

De grens (in Cyprus)

De grens (in Cyprus)

En wat ik ook nog wilde zeggen: dat de grens me feitelijk vreemder voorkomt dan het land erachter en ervoor. Evenwel, over de grens stelden ze zich geen vragen.

Maar, die twee keren was ik vooral blij dat de vraag luidop gesteld werd. Want, het is erger als de vraag stil blijft en het antwoord een eigen leven leidt, bedolven met vooroordelen en misvattingen. Nu was er tenminste ruimte en tijd voor een repliek van iemand, ik in dit geval, die er geweest was en er misschien iets (nieuws) over kon vertellen.

De vraag gesteld worden en een antwoord, misschien niet het meest volledige of juiste, mogen geven, een poging mogen doen, beschouw ik als een voorrecht. En vooral, een verpletterende verantwoordelijkheid in tijden van ontbinding en xenofobie.

Posted in in Jordanie | 3 Comments

Van Allah of van de Koning

Het gerucht ging door de witte stad dat de regen van de afgelopen dagen deze keer niet van Allah kwam. Tussen de stapels lentegroenten in de kleine winkeltjes, tussen hoofddoeken en snorren, er werd nog meer dan anders over die heerlijke buitjes gebabbeld.

Die ochtend kwam het kindermeisje op haar werk en deelde het nieuwtje met de moeder van de kinderen voor wie ze zorgde. Of zij het ook gehoord had dat de regen deze keer van de Koning kwam?

De moeder had er iets over gelezen, ja. Nu kende zij de Koning niet zo goed, maar voor wat ze over hem wist, kon ze zich niet voorstellen dat hij tot zoveel regen in staat was. En ook de omstandigheden van de regen waren niet mis. De hemels waren werkelijk donkerder dan basalt geweest. Er waren scherpe flitsen naar beneden gevallen over de geraniums en de bougainville. De wind had over het terras geloeid en aan de luiken gesleurd. Met grote ogen had haar dochtertje gevraagd of de kleine musjes onder de dakrand aan de overkant nu in het nestje zouden blijven zitten. De modder had als stroop door de straten gelopen, alsof de hele woestijn was weggestroomd en zich nu ergens in de afvoerputjes moest bevinden.

Al was de Koning een Hasjemiet en nazaat-in-rechte-lijn van de profeet Mohammed, dit alles kon toch werkelijk niet ontsproten zijn aan de daadkracht van een Monarch in het ondermaanse? Of had Zijne Koninklijke Hoogheid ingezien dat grote droogte in zijn land wel eens de algemene peis en vree kon corroderen, en de grove middelen ingezet? Nee nee, van die Koning hadden ze het laatste nog niet gezien.

Maar als de Koning de regen had gemaakt, dan had het minstens gouden regen mogen zijn. Het was daarvoor overigens de tijd van het jaar!

Dus swipte de moeder de digitale krant open. Als Zijne Majesteit de regen had gemaakt, dan was er één krant die daarover met zekerheid zou berichten: de Jordan Times, ook ‘het krantje van de Koning’ genoemd in bepaalde middens van het land. Volgens de headline van de dag had de Sire present getekend voor een driloefening in het leger. Was het onze verbeelding, of hoorden we de moeder een beetje zuchten?

Onder de headline stond een kleine krantenkop. Dat het koudefront tegen de volgende avond uit het land verdwenen zou zijn. Nu horen Koningen op vele fronten te kunnen strijden, maar koudefronten? Ze klikte het artikel open. Er kwam heel wat gescrol aan te pas, het was een lang epistel, want elke druppel die die dagen over de verzamelde provincies naar beneden was gevallen, werd in vorm en volume besproken. Regen was een waar feest in dit land! Er werd tevens met vreugde gemeld dat de stuwdamreservoirs al voller waren dan het jaar daarvoor, en dat de graanschuur van het land (dat 96% van zijn graanverbruik moest importeren) zich klaar mocht maken voor een mooie oogst. Het Ministerie van Landbouw wreef zich in de handen. En ook de Waterminister waagde een dansje. Maar met geen woord werd over een Koninklijke regen gerept.

Dus tikte de moeder ‘Royal Rainmaker’ in het zoekvenstertje. En zie, daar verscheen uit het archief digitaal gejuich na een succesvol experiment dat in stilte had plaatsgevonden op een blauwe zondag in maart. Samen met het Thaise Bureau van Koninklijke Regenmakerij en Landbouwkundige Luchtvaart had men die dag in Jordanië een artificieel buitje gepleegd. De Koning had zelfs zijn leger ingezet, met vliegtuigen waren ze uitgerukt om de wolken van water te bezwangeren. De vlaag was, zoals gepland, gevallen boven de stuwdam van King Talal, meteen netjes op de juiste bestemming. De resultaten daarvan werden ‘bemoedigend’ genoemd. Het moeilijkste aan regenmaken echter, en een werk van lange adem, zo stond daar nog beschreven, was het ter plaatse meten of het sop de kool wel waard was. Jaren van studiewerk zouden het moeten uitwijzen. Dus werden meer experimenten in de nabije toekomst gepland.

Dit alles vertelde de moeder aan het kindermeisje. En tegen beter weten in zette het kindermeisje alle potten en emmers buiten. Je wist maar nooit dat de Koning nog eens aan zet was bij de hemelsluizen en gouden regen over het land zou laten vallen.

Posted in in Jordanie | 2 Comments

Koekjes van eigen deeg

Vandaag komt het antwoord in een plastiek zakje.

Op andere dagen luidt het ‘Vanalles’, of ‘Niets’, wat ongeveer hetzelfde betekent: ‘Ik ben nu te moe om het jou te vertellen.’

‘Wat heb je vandaag op school gedaan?’

Zie het plastiek zakje dus, dat ik opdiep uit de plooien van haar boekentasje. Het is lauwwarm, en het geeft een beetje mee als ik het wil vastpakken. Mijn vingers deinzen terug. Een hondendrol die door het plichtsbewuste baasje van tussen de grasdallen is geplukt en in een zakje is gerold. Zo voelt het.

‘Gaan we het klaarmaken?’ Hoopvol kijkt ze naar me op.

Tussen duim en wijsvinger hijs ik het zakje verder omhoog en houd het een beetje van me af. Een bleekgeel amorf hoopje. Er staan kleine vingerafdrukjes op. De hele naschoolse opvang lang zal het in haar knuistje hebben gewenteld als een stuk plasticine.

Ze trekt het uit mijn handen.

Verstrooid begin ik de kleffe kruimels uit haar boterhammendoos te schrapen.

‘Hier, mama!’ Ze duwt het zakje op het aanrecht. Het is een uitnodiging. ‘Jij en ik gaan samen koken,’ zo leest het.

Ik zucht. Ik moet nog echt koken en ook nog alles doen wat moet gebeuren in een gezin op een weekdag tussen 5 en 6 uur ’s avonds. Maar het is dat haar oogjes blauwer dan normaal schijnen als ze nu naar me omhoog kijken.

‘Wat moet het dan worden?’, vraag ik. Ik heb echt geen idee.

‘Za’atar koekjes,’ zingt ze.

Za’atar is mijn struikelwoord hier in Jordanië. Steeds spreek ik het zeer bewust uit. Want voor ik het weet, heb ik ‘Zaatari’ gezegd en dat is een triestig vluchtelingenkamp en niet het magische kruidenmengsel uit het Midden-Oosten.

Haar lievelingskoekjes dus. Die heeft ze vandaag leren bakken op school en er was meer deeg dan koekjes. Ik heb ze nog nooit klaargemaakt.

We schuiven het trapladdertje tegen het aanrecht. Dat brengt ons op gelijke voet. Ze pelt de homp deeg uit het zakje.

‘We hebben zo’n stok nodig om te rollen,’ zegt ze gedecideerd. Ik trek de deegrol uit de schuif.

‘Mama, er moet, hoe-heet-het, euhm, bloem op de plank, dat gaat beter.’

Samen pletten we een dimensie weg uit het deeg. Aan het platte vel moeten we nu rondjes ontfutselen. Trots toon ik haar de truck met het confituurpotje. Zo hebben ze het op school duidelijk niet geleerd, maar ze laat me doen.

‘Olijfolie mengen met za’atar?,’ vraag ik.

‘Ja!,’ ze kijkt verrast. Hoe weet die mama dat? Hoe dan ook, zij gaat roeren.

We smeren het groene brouwsel op de deegrondjes. Klaar, meen ik. Ik trek de oven al open en wil de bakplaat erin schuiven. Ik kan zo aan het avondeten beginnen.

‘Neen, mama!’, roept ze verontwaardigd. Ze houdt me tegen en stroopt haar mouwtjes op.

Met duim en wijsvinger begint ze rondomrond de randen van de deegplakjes te knijpen. Haar tong hangt halfstok uit haar mondje. Op dit moment heeft ze duidelijk gewacht. Er verschijnen zonnestralen aan de koekjes. Net als in het echt.

Zo doen ze dat dus, denk ik bij mezelf.

Pas als alle koekjes zonnen zijn geworden, knikt ze. Nu mag de bakplaat de oven in.

Za'atarkoekjes

Za’atarkoekjes

En onder het klaren van de dagelijkse klusjes tussen 5 en 6 vullen de kamers zich met de geur van de Midden-Oosterse keuken. In de oven groeien echte za’atarkoekjes, product van een onaangekondigde (kook)les. Ze smaken zoals in het echt.

Posted in in Jordanie | 4 Comments

Kantelmoment

Kantelmoment

Kantelmoment

Op het moment dat de aarde weer een stukje uit haar baan wordt gebracht, kantelen twee kleine meisjes om beurten in een zwembad. Twee helblauwe, twee hazelbruine ogen piepen boven de rand.

Ze proesten het uit, hun kleine woordjes spatten richting hemel. Nu eens Engels dan weer Arabisch. Ze letten er niet op. Ze begrijpen elkaar. Ze weten van niets.

Nour en Julie heten ze. Zij kennen elkaar pas en peilden al samen de diepte van het water. De wereld gaat aan hen voorbij. Door hun roze brilletjes kijken ze slechts naar het hier en het nu.

Vier grote mensen, een man en een gesluierde vrouw, en een vrouw en een man, ze kijken ernaar. Ze spreken elkaars taal niet. En misschien begrijpen ze ook weinig tot niets van elkaar. Dus lachen ze maar.

Om hun twee kleine meisjes.

Vier grote mensen, ze kijken af en toe ook naar elkaar. Steels, en dan weer naar hun speelse meisjes.

Delen zij evenveel het nieuws als hun dochters vandaag? Vinden zij het allemaal even erg? En kunnen ze er evenzeer met hun vier hoofden niet bij? Ze laten het in het midden, ergens in het zwembad waar voor hun dochters het water niet te diep is.

Met tegen- en weerzin hebben wij dus het nieuws gehoord, die dag aan de rand van een moslimland, aan de kant van een zwembad. Net nu wij eens tijd hadden om weg van de wereld op ons gemak naar de toekomst te kijken die boven en onder de waterspiegel dook, ging de wereld kopje onder. En is dat blonde hoofdje nog even wars van wereldnieuws, zo moeten wij weer het hoofd breken over vandaag, en hoe we dat morgen aan onze kinderen gaan uitleggen. De waan van de dag, de waanzin van de wereld.

Er zijn uit haar mondje weer vele waarom-vragen gevallen aan dat zwembad daar aan de rand van dat moslimland. Maar nooit waarom die vrouw een burkini en wij niet. Of waarom die oma met al haar kleren in het bad en zij niet. Het is van geen belang, zolang de monden maar bloot blijven lachen en spreken tegen haar.

Niet alleen van haar taal kunnen wij nog iets leren.

 

 

 

 

Posted in in Jordanie | 3 Comments

Het motief

In onze zetel ligt een kussentje. Dat heeft mijn creatieve nichtje gemaakt. Vorig jaar voor Music for Life. Sewing for Life, heette haar bijdrage. Ik kon niet anders dan het kopen van haar, voor haar. Ze verdiende het helemaal. Dat het ook nog prachtig accordeert met de kleuren in onze living, dat was pure bonus. Dus reisde het kussentje vanuit België helemaal af naar Jordanië, en vond het een thuis in het kloppend hart van ons nest. Overdag slapen er poppenhoofden op, daar naarstig neergelegd en vergeten door de zorgende moeders die onze dochters zijn. ’s Avonds vleien wij er onze moeë rug tegen.

Zoals zovele dingen, heeft het kussentje twee kanten en een binnenste. Lime groen aan de ene kant. Een stofje van fleece aan de andere kant. Naar de binnenkant heb ik het raden, zoals wel vaak. Er is geen voor- en achterkant, maar eerst was dat fleecen kantje bijzaak. Het was de limoengroene zijde die onze woonkamer alle eer aandeed. Had je mij gevraagd de andere zijde van het kussen te beschrijven, ik had het niet gekund.

Toen ik op een dag de school van dochter Julie binnenwandelde, ving ik in het voorbijgaan een glimp op van de berenbedjes die er in een lokaal klaar staan voor de kindjes in hun spel geveld. Enkele bedden waren bezet, zoals wel vaker aan het eind van de middag. Daar sliepen een paar van die donkere kopjes. Uitgeteld en opgekruld. En toegedekt onder een dekentje. Mijn ogen bleven aan het dekentje haken. Ik kon het niet goed onderscheiden. Omdat zo’n kamer met slapende kinderen een heiligdom is, ging ik niet binnen. De volgende keer keek ik wat beter. In het halfduister kwam de stof van de dekentjes mij vertrouwd voor. Vanwaar kende ik toch die zachtgrijze krinkelingen in dat pluizen wit?

Toen ’s avonds mijn ogen nog eens door onze huiskamer zeilden, zag ik het. Hetzelfde fleecen stofje van de ene kant van het kussen.

Globalisering dus. Klaarblijkelijk had niet alleen het kussentje gereisd. En dat hetzelfde motiefje ook nog een ander deel van Julie’s habitat inkleurde, dat vond ik wel een knusse gedachte.

De dagen kwamen en gingen. Tussen woonkamer en buitenwereld, kussen en deken, pendelden wij onze gewoonlijke routes.

Met de dagen kwam en ging ook het nieuws. Er was ook nieuws dat bleef. En beklijfde. Toch voor even. Of waren het de beelden die bleven? Eerst boten onder de zon, dan treinen door de regen, en tenslotte lange stoeten, langs, op, en over afsluitingen, tot in de parken van ons vaderland. Toen zagen wij pas met hoevelen zij waren en hoe vol die treinen en boten moeten hebben gezeten: mensen van hun nesten en woonkamers ontdaan, op weg achter de hoop aan.

De beelden regen zich aaneen. Elke keer keek ik wat beter. Of ik niet iemand herkende op die foto’s. Want door in Jordanië te wonen komen al die gezichten mij zo vertrouwd voor. Vooral de kinderen – zij kunnen de vriendjes van onze dochter zijn die zich gisteren nog in prinsessenkleren hulden en dartel door het leven gingen.

En toen ik zo goed aan het kijken was, zag ik het plots overal opduiken. Hetzelfde motief. Op het dek van de boten, in de bermen langs de weg, over schouders, onder een hoofd, over een baby, een dood kind gelegd: de zachtgrijze krinkelingen in het pluizen wit van dat o zo gekende fleecen stofje.

Globalisering dus. Klaarblijkelijk was ook dat bekende motief mee op de vlucht geslagen. Een stuk van onze living in die hallucinante beelden. Wat past niet in het rijtje.

Het motief
Het motief

Ondertussen zie ik wat minder van die fleecen dekens in het nieuws. Waar zouden ze allemaal gebleven zijn? Hoe dan ook, dat de zachtgrijze krinkelingen in het pluizen wit naar ergens anders dan de zelfkant mogen leiden.

 

Posted in in Jordanie | 1 Comment

Sluierdialoog

Ik wil een hoofddoek. Neen, het is god noch allah die mij in de verleiding brengt. Evenmin ben ik geradicaliseerd , gede-emancipeerd, of door mijn man onderdrukt. Assimilatie noch integratie zijn mijn drijfveren. Maar, mijn god, wat kunnen die hoofddoeken prachtig zijn!

Het was al heel vlug na aankomst in het Midden-Oosten dat de gedachte mijn naakte hoofd binnensloop. Zo ging ik hier meer dan een jaar geleden voor het eerst hummus bestellen. Wel tien soorten waren er. Was me dat nog spannend toen. Achter de toonbank stonden twee meiden gesluierd. Eentje bekeek me even, bracht toen haar handen in een toeter tegen haar mond en fluisterde iets in het gestoffeerde oor van het andere. Konkelfoezen pur sang was dat. Het andere meisje richtte zich tot mij, en net toen ik mijn bestelling ging uitspreken, wees ze naar haar collega en zei: “She says you’re beautiful.” Ze giechelden verlegen. Daarbij lichtte overal turkoois op. Ik wist niet meteen waar het allemaal vandaan kwam. Toen zag ik dat de felle kleurtjes op en rond haar reeënogen in perfecte harmonie waren met de tinten van de sluier op haar hoofd. En het andere meisje, nota bene het meisje dat mij mooi vond, moest niet voor haar onderdoen.

“Me beautiful?”, wou ik uitroepen, “you must be joking, kijk eerst maar eens naar jezelf!”. Ik stond daar in de meest vrije tijdskleding die ik heb, meer bedekkend dan me lief was (we waren hier nog niet lang) en dus verre van koket. Mijn schuchtere poging tot een lijntje en wat blauwe schaduw op de oogleden verbleekte in het aanschijns van het lichtspektakel dat zich afspeelde op de gelaatjes die voor me stonden. Op slag vergat ik de smaak hummus die ik voor ogen had.

Het was het eerste van mijn gesprekjes over de hoofddoek. Zoals met de directrice van het schooltje waar mijn dochter in de verste verte niet zou kunnen zeggen of haar Miss Bidour vandaag een hoofddoek droeg of niet. Net zoals ze zich ook niet elke dag herinnert of Miss Hanan een broek of een rok aan had. Voor de directrice is het duidelijk, en eenvoudig. Elke dag draagt zij een witte hoofddoek. “Mijn zus bijvoorbeeld niet,”, zegt ze, “maar ik krijg meer gedaan met mijn hoofddoek op.” Het klinkt een beetje zoals mijn man die in pak en das gaat werken. Respect en gerespecteerd worden. Zoals je ooit met de hoed in de hand door het ganse land kwam.

Jullie zouden eens moeten weten, denk ik dan bij mezelf, bij ons wordt daar nogal wat over gepalaverd. Je kunt dat niet uitleggen. Zelfs hebben wij daar in ons land een apart woord voor: hoofddoekendebat. Het is een woord dat vloekt met de frivoliteit aan gepimpte hoofdjes die zich door de witte stad bewegen. Soms zit onder de sluier nog een hele tooi, waarvan ik me afvraag of het volume volledig door een haardos teweeggebracht wordt. Ik heb nog veel te leren. En steevast zomen onderaan twee prachtig opgemaakte ogen de stof af. Ja, ik heb nog veel te leren.

Maar als ik mezelf een hoofddoek cadeau doe, dan weet ik al een plek waar ik een kijkje ga nemen. In het midden van een grote shoppingmall zit zo’n sluierboetiekje. In de etalage staan plastieken hoofden die de zusjes van de schminkpop kunnen zijn die ik voor mijn eerste communie kreeg. Daarop liggen de nieuwste modelletjes gedrapeerd. De rekken bulken van bonte stofjes die smeken om gecombineerd te worden met de kleedjes in mijn kast. Van accessorizing gesproken!

Het zal niet elke dag hoeven, die hoofddoek. Soms wil ik nog wel eens mijn haren losdragen, of opgestoken. Of die hoed opzetten die we in Manhattan kochten toen we daar verdwaald waren. En als ik dan ’s avonds na een lange dag mijn sluier van mijn hoofd wikkel, dan stel ik me voor dat daar van die donkerbruine golvende lokken onderuit kabbelen. Want mijn haren, dat is een schrale steppe tegenover de tropische wouden die hier op de vrouwenhoofden woekeren. Zelfs mijn kapper ontkent dat niet.

In afwachting van die lange lokken pleit ik voor het schrappen van een woord. Exit “hoofddoekendebat”. Alstublieft? Daar zijn goeie redenen voor. In ruil stel ik een alternatief voor. “Sluierdialoog”. Omdat er niet over gezwegen moet worden – er valt nog zoveel over te zeggen en uit te wisselen – maar dan liefst met respect en poging tot begrip. Tussen naakte en bedekte hoofden.

Posted in in Jordanie | 5 Comments

Inzicht in de oase

Inzicht in de oase

Inzicht in de oase

Soms is het zo’n moment. Dit was zo’n moment.

We zouden een kloof induiken. Een ‘canyon doen’. Dat wordt hier gedaan. Met goeie reden. De kloven scheuren het land van zand en rotsen open. Binnenin opent – en sluit – zich een andere wereld. Wars van woestijn, een oase. Langs de stroompjes scheren zwaluwen en libellen. In de zoete poeltjes krioelen kikkers en krabben. Riet en palmbomen klimmen de steile wanden op. Boven laat de diepblauwe hemel zich tussen de gekartelde rotsranden vangen. De kloven vallen stil in een gapende wond op de oevers van de Dode Zee. Daar start en eindig je. Hoe dieper je binnengaat, hoe mooier het wordt. Dat Mozes met zijn staf ergens hier op de rotsen tikte, het kan geen toeval zijn.

Zo’n soort kloof was het. We wilden het al langer eens doen. We hadden ons goed geïnformeerd. Op het internet stond: ‘a walk in the park’. De gemakkelijkste van alle canyons. Geen technische complexiteiten. Gewoon wandelen en soms een beetje klauteren. Over ‘boulders’ – het is een woord waar ik graag overheen klauter. Geen gids nodig. Babysit daarentegen. Klauteren doen we liever zonder kindjes.

En toch. Ik had er de nacht voordien niet goed van geslapen. Het was zo’n tijd. Een tijd waarin een minister weids en luid had verkondigd dat de Belgen vanuit Jordanië zouden opereren om Irak te bombarderen. Een tijd waarin op het nieuws mensen tijdens bergtochten ontvoerd werden. Een tijd waarin het onder de buiten- en binnenlanders in Amman meer gonsde dan tussen de vliegen aan de Dode Zee in dit seizoen. Geruchten over de onveiligheid in het land, in de regio. Wat zouden wij dan met ons tweetjes alleen zo’n desolate kloof binnentrekken?

Het was zo’n tijd waarin plots de twijfel aan dit hele buitenlandse avontuur als een slagschaduw over je heen wiekt. Een tijd ook waarin we ons vlotter lieten verleiden tot ergernis over al wat mank loopt in dit land. Zo’n tijd was het.

Maar toch. De kloof riep. Wij vermanden ons, ruilden fantasie in voor wat realiteitszin, hesen ons in onze broeken, en trokken onze schoenen aan. Een leven in angst is geen leven. De eerste mensen op ons pad waren bedouïnen herders. Ze groetten ons niet, maar maanden hun schapen tot groeperen aan. Wij volgden de bedding en tuimelden al vlug een andere wereld in. Gretig buitelden we over de boulders. Het was niet onopzettelijk dat onze voeten nat werden. Wat een plezier was het!

En toch. Er was één boulder. Eén boulder waar we niet overheen geraakt zouden zijn. Ware het niet van Atef. We hadden hem al van ver gezien. Atef had een grote rugzak en twee mensen in zijn kielzog. Duidelijk waren ze niet ontvoerd door hem, hij was hun gids. In die grote rugzak zat een touw. Met dat touw en een hand van Atef zijn we over die boulder geraakt. Atef leerde ons de rotsen te lezen, het pad te ontcijferen aan de bedding van het stroompje. We zijn met hem verder gewandeld, tot aan het eind, en weer terug. Atef was bij de special forces geweest. Had in de oorlog van ex-Joegoslavië gediend. Uit zijn brede borst zweette hij stoere verhalen. Uit zijn rugzak toverde hij een zwartgeblakerde theepot. Bij de waterval aan het eind van de kloof stookte hij een vuurtje en zette hij mierzoete muntthee voor ons. In de rivier spoelde hij de theezakjes uit en stak ze tussen het afval in zijn zak. Daarna bad hij tot zijn god. Zo’n Atef was het.

Toen de zon al naar de Dode Zee begon te neigen, zijn we uit de kloof terug in de wereld geduikeld. We waren al afscheid aan het nemen van Atef, hem uitgebreid aan het bedanken, toen ik me iets liet ontvallen over het gebrek aan organisatie waarmee we eens in een Jordaans natuurpark waren geconfronteerd. Atef keek me aan. Hij zei: ‘You haven’t lived long enough in this country, madame.’ Meer niet. Ik  begreep het niet. Maar hij zei het op zo’n toon dat ik niet dadelijk nog iets durfde te zeggen.

Lang heb ik over dat zinnetje van Atef nagedacht. Keer op keer begrijp ik het beter. Als ik ’s ochtends de dingen en de mannen groet die de straat aan het schoonvegen zijn, bijvoorbeeld. Als ik midden in de woestijn de hulpdiensten zie. Als ik aan loketten vriendelijkheid tref. Als de man aan het kruispunt naar me lacht ook als ik geen bloemen van hem koop. Als boven op de brug de Jordaanse vlag wimpelt in de strakke blauwe bries van Amman.

Zo’n moment was het, daar in die oase. De slagschaduw is verdwenen.

Posted in in Jordanie | 6 Comments

Groe(n)ten uit Amman

‘Ik heb een man ontmoet,’ zeg ik aan mijn man als ik thuiskom.

Daar kijkt mijn man niet van op. Ik ontmoet wel eens een man, en als alles goed gaat, dan ontmoeten we die samen ook nog eens. En misschien nog wel een paar of meer keren.

Dat de ontmoeting echter zulke verstrekkende gevolgen zou hebben voor zijn gezondheid, dat kon hij toen niet vermoeden.

‘Vertel,’ zegt hij – dat is het enige juiste antwoord, weet hij namelijk.

De man stond in zijn kraampje zijn groenten aan de man te brengen. Op een geïmproviseerd marktje in een stoffig stadspark. Niet zomaar zijn groenten, zijn biologisch geteelde groenten. Dat is heel speciaal, moet je weten, in een land waar bio-voeding een schaars zoniet onbestaand goed is. En verse produkten al helemaal. (O ja, je vindt wel eens een rekje “organic” in de supermarkt. Dat is dan meestal van een hoog jetset-gehalte, sjieke muesli’s en glutenvrije koeken en zo, uit Amerika meestal, maar na lezing van etiketten en labels, stelt dat biologisch-gezien meestal weinig tot niets voor.) Dus, toen ik die ochtend op dat marktje tussen de houten kratjes slenterde, lachten de groentjes en vruchten die zichzelf waren gebleven, me toe. En ik voelde, daar en dan, dat dit voor mij het eindpunt van een woeste queeste kon betekenen. Ik liet me volledig gaan. Bij elk kraampje deed ik wat in mijn boodschappentas (van PET-flessen vervaardigd, nvdr) glijden.

Van de man kocht ik tomaten. Het duurde even voor ze in mijn tas rolden, want ondertussen waren hij en ik verwikkeld in een ernstig gesprek. Dat ging maar over en weer over zijn boerderij, hoe hij niet met een label werkte, maar door andere biologische boeren in de buurt op gezette tijden gecontroleerd werd met bodemstalen. En dat we bij hem, by the way, een perceeltje konden afhuren. Honderd vierkante meter, waarop hij voor ons groenten en kruiden naar keuze kon telen en oogsten. Biologische produkten verzekerd! Een gewiekste boer was me dat.

Toen ik hem uiteindelijk naar de prijs van de tomaten informeerde, zei hij fijntjes: ’Dat is dan drie dinar, en vijf voor de consultancy.’

‘Jij bent een dure consultant,’ antwoordde ik hem, ‘we hebben amper vijf minuten gesproken!’

Hij lachte.

‘Ik ken de prijzen,’ waarschuwde ik hem, ‘ik ben zelf consultant.’

‘Waar dan?’, vroeg hij.

‘Bij het IFC.’

‘Het is niet waar!’, riep hij uit, ‘daar heb ik ook gewerkt!’

Tenslotte zijn de tomaten betaald geraakt. Hij zei me geloof ik ook nog dat ik moest stoppen met werken bij IFC. ‘Start farming!’ Dat ik daar dan toch nog eens over moest nadenken, besloot ik, maar dat we alvast die honderd vierkante meter zouden overwegen.

We zijn blijven schrijven met elkaar, de man en ik. E-mails, over de prijzen en andere praktische zaken in verband met het laten bewerken van 100m². Lange lijsten in excel hebben we van hem gekregen, met de namen van groenten en kruiden die we voor ons stukje grond konden bestellen – ik heb wat afgegoogeld in die dagen. En tenslotte heeft hij ook Joris ontmoet. Voor eveneens een erg interessante babbel. En ook om het adres van de ambassade te kennen. Want, daar worden voortaan wekelijks twee (grote!) kratten verse bio-produkten afgeleverd. En inmiddels ook verdeeld tussen de consul, de ambassadeur, en zijn nummer twee.

En zo, evenredig met het krimpen van weer een stukje gewetensprobleem, groeien nu ergens op een lapje grond buiten Amman onze biologisch geteelde paprika’s, aubergines, witte kolen, en hun vriendjes. En ook sla, voorlopig veel sla. Fier als een gieter – want dat is de uitdrukking – heb ik vorige week de eerste krat in mijn armen over de drempel van onze voordeur gedragen. En ben ik aanstonds met soep koken begonnen…

Groe(n)ten uit Amman

Groe(n)ten uit Amman

 

 

Posted in in Jordanie, Uncategorized | 2 Comments

Jordaans fruit

Aan de takken tussen de blinkende appeltjes hangt een paar longen. Het heeft een tijd geduurd voor ik ze opmerkte, maar plots wapperen ze op in de bries die hier de heuvelrug komt strelen.

Wiens longen zouden het zijn. Ik kijk de kring mensen rond waarin wij onverhoeds beland zijn. De wandeling die we tien minuten geleden, geschoeid en gepakt, begonnen zijn, staat alweer op pauze. Vandaag zouden we het kasteel van Ajloun veroveren. Toen we onversaagd van de grote weg de landweg waren ingeslagen, hoorden we plots een jongen roepen. Een zwaardere stem dicteerde hem in het Arabisch. Op wiens erf liepen we dan wel? We keken omhoog. De jongen wenkte ons en gebaarde. Of we niet iets kwamen drinken. Na weken volgens de wet van de sterkste in de hoofdstad, bezweken wij vlug aan deze lokroep van het platteland.

Nu zitten wij in het lommer. Het hele erf wordt ondertussen heringericht. Iemand heeft twee stoelen gehaald. Twee handvol kinderen hebben de puppy verderop aan een boom vastgebonden. Boven de hoop botjes waar hij zo net nog aan zat te knauwen, wordt een tafeltje geplant. We krijgen een bord frisse druiven, die uit de ranken boven ons hoofd zouden kunnen gevallen zijn.

‘Ièla, eat!’

Abu moet wel grote longen hebben. Hij heeft zijn broek tot over zijn dikke buik opgetrokken, en uit zijn onderhemd groeit wat grijs borsthaar omhoog. Zijn dochter voert het woord, terwijl ze onverstoord verdergaat met het fijnknijpen van rode en groene druiven in een kom. Af en toe veegt ze haar handen schoon om Julie te knuffelen.

‘Aha,’ zegt ze wanneer ze hoort waar we vandaan komen, ‘you’re also Christians.’

Zoals zij. Dat wisten wij al. Er is geen hoofddoek te bespeuren, en de schoonzus heeft een roze pakje met korte broek aan dat wel een pyama zou kunnen zijn. Door de stof schemert een behabandje, dat was lang geleden. En er wordt wijn gemaakt natuurlijk.

‘Genoeg om de winter mee door te komen,’ lacht Abu. Het grote huis telt wel vier verdiepingen en huist evenveel families. Dat wordt veel wijn.

Qahwa or chai?’, vraagt één van de jongetjes. Omdat je nooit weet hoeveel kardemom ze in de koffie gaan doen, kiezen we voor thee. Muntthee. Dat is altijd lekker.

Terwijl wij nog even naar de boom met de longen loeren, gaan alle blikken plots naar ergens achter ons. Een pronte vrouw is bovenaan de trap verschenen. Langs haar gegroefde wangen hangen twee dikke bruinrode vlechten. Er blinkt licht in haar ogen en goud in haar oren.

‘Pak aan,’ gebaart ze naar Joris terwijl ze een gevuld dienblad boven zijn hoofd laat balanceren. Vijf glazen, een schaaltje met muntblaadjes, en een pot thee. Dat Joris opschrikt, amuseert haar zichtbaar.

‘My wife,’ zegt Abu.

Ze kijken even naar elkaar. Er ontploft een belletje chemie tussen die twee.

‘Only one wife, not four,’ lacht hij. En negen kinderen!

Ik blijf het fascinerend vinden hoeveel thee er uit zo’n potje loopt. Iedereen staakt even de bezigheden voor een glaasje. Als we wat later over opstappen beginnen, krijgen we een lift tot bij het kasteel aangeboden. Of ze begrepen hebben dat we liever wandelen, weten we niet, maar we mogen dan toch te voet vertrekken.

We stappen het erf terug af. Langs de appelboom met de bungelende longen. Twee appeltjes minder dan eerst. Want zijn röntgenfoto’s misschien een prachtig alternatief om vogels af te schrikken, tegen kleine blonde meisjes is het fruit niet beschermd. Of beter: de mensen die de boom bezitten. Julie komt haar trofee tonen: de appels waar ze net nog naar gewezen heeft, passen perfect in haar mollige knuistjes.

‘Bye!’, buldert Abu ons nog na. Met zijn longen lijkt niets aan de hand.

Posted in in Jordanie | 4 Comments